zondag 10 februari 2013

Interne of externe locus of control

1. Locus of control

De term locus of control werd uitgevonden door psycholoog Julian Rotter, waarmee hij verwijst naar het geloof van iemand dat wat mensen overkomt te wijten of te danken is aan eigen gedrag (intern) of krachten buiten zichzelf, nl. de situatie (extern). Het is niet zo dat iemand altijd óf helemaal een externe locus of control óf helemaal een interne locus of control heeft, want het is een continuüm. Iemand is eerder extern of eerder intern gericht voor wat betreft de locus of control.

Naast deze opdeling tussen interne en externe locus of control, kan je ook nog een opdeling maken in stabiele of variabele patronen. Ga je er vanuit dat iemand altijd onhandig is, of ga je ervan uit dat deze persoon echt wel in een lastige situatie zit, waarin het maar “normaal” is dat je klungelig overkomt?

Tenslotte is het ook nog belangrijk of mensen het idee hebben dat het om een controleerbare of een oncontroleerbare situatie gaat. Heb je het gevoel dat je er controle over hebt, of voel je je machteloos overgeleverd aan de situatie?

 
  
Voorbeelden:
  • Iemand die ervan uitgaat dat hij slechte punten haalt tijdens de examens omdat hij te dom is voor de studie, heeft een stabiele interne locus of control, die bovendien niet te controleren valt.
  • Iemand die ervan uitgaat dat hij slechte punten heeft gehaald, omdat zijn vriendin het net voor de examens heeft uitgemaakt, heeft een externe variabele locus of control, die wel controleerbaar is.
  • Een moeilijker voorbeeld is, wanneer iemand ervan uitgaat dat hij een slechte studiemethode had en daardoor slechte resultaten behaalde. Deze studiemethode was tot nu toe een stabiele eigenschap van deze persoon, maar… een studiemethode kan wel veranderen natuurlijk. Het gaat hier in ieder geval om een interne locus of control en afhankelijk van de interpretatie kan je zeggen dat het een stabiele of een variabele vorm is. Als je vindt dat je er controle op kan uitvoeren, dan gaat het om een variabele, controleerbare interne locus of control. Als je ervan overtuigd bent dat studiemethodes onveranderlijk zijn (een overtuiging die niet ondersteund wordt door onderzoek), dan gaat het om een oncontroleerbare, stabiele interne locus of control.
Op BBC vind je een interview met Julian Rotter.

2. Interne Locus of Control

De centrale boodschap luidt hier dat eigen gedrag en acties verantwoordelijk zijn voor hetgeen iemand overkomt. Interne locus of control geeft dan een gevoel van competentie, controle en macht. Mensen met een interne locus of control zijn meer bereid te leren (o.a. uit fouten), zijn kritischer, leiden een gezonder leven, ondernemen actie om een beter leven te bekomen, zoeken naar oplossingen, laten zich minder beïnvloeden door anderen,… Ze nemen over het algemeen meer verantwoordelijkheid op voor hun eigen leven.

Uitloper: Self-efficacy
Self-efficacy is het geloof dat iemand heeft dat de ondernomen acties effectief zijn en leiden naar het vooropgestelde doel. Je zou het ook kunnen omschrijven als: iemand gelooft dat wat hij doet het gewenste resultaat zal halen, dat hij zijn doel zal bereiken.
Vb. iemand met een hoge self-efficacy start met studies en is er dan ook van overtuigd dat hij door hard te werken zal slagen voor zijn examens.


3. Externe Locus of Control

Iemand met een externe locus of control gaat ervan uit dat men controle over het leven niet zelf in handen heeft. Hier heerst de overtuiging dat mensen onderhevig zijn aan het lot, het geluk of ongeluk, de daden van andere mensen, het “toeval”,… Een externe locus of control geeft dan eerder een gevoel van hulpeloosheid, machteloosheid en vervreemding. Mensen met een externe locus of control conformeren sneller en zijn minder kritisch, maken niet graag keuzes en piekeren hier meer over, zijn vaker angstig en depressief en meer kwetsbaar voor stress. In plaats van te zoeken naar oplossingen, gaan ze eerder over tot het ontwikkelen van defensieve strategieën (vb. ontwijken van het probleem, anderen de schuld geven, de maatschappij verwijten dat…)

Uitloper: Aangeleerde hulpeloosheid
Het gevoel geen controle te hebben over het eigen leven, de gebeurtenissen, … “Het heeft geen zin dat ik zelf nog maar probeer, ik heb er toch geen vat op”.
Voorbeeld:
Mendelson en Mello (1986) geven in verschillende onderzoeken aan dat alcoholisten, rokers en drugverslaafden een (stabiele) externe ‘locus of control’ hebben. Zij worden beheerst door hun sigaretten, hun drank en hun drugs en zij zien zichzelf niet in staat om te stoppen met het ongezond gedrag. Ook kan het zijn dat ze niet geloven dat ze door het stoppen hun gezondheid gunstig kunnen beïnvloeden. Deze mensen zijn wel eenvoudig te beïnvloeden door omgevingsfactoren en zij zien niet in dat ze de mogelijkheid hebben hun druggebruik te beheersen.


4. Link met motivatie

Locus of control zegt met andere woorden iets over de mate waarin we geloven dat we invloed kunnen uitoefenen op gebeurtenissen. Iemand met een interne locus of control zal hard studeren, omdat hij ervan overtuigd is dat hij hierdoor een goed resultaat zal behalen. Wanneer iemand een externe locus of control heeft, zal hij minder moeite doen. Volgens hem zal een goed resultaat afhangen van externe factoren, waar hij geen invloed op heeft (vb. het humeur van de docent, de moeilijkheidsgraad van de vragen,…).
De soort locus of control zal bepalen tot welk gedrag je gemotiveerd wordt. Zo zal je eerder gemotiveerd zijn om te sporten, niet te roken, gezond te eten en je veiligheidsgordel aan te doen wanneer je een interne locus of control hebt. Je bent er dan immers van overtuigd dat je zelf invloed hebt op je gezondheid en welzijn.

Competent of talent



Als je je competent voelt, besef je dat je zelf invloed kan uitoefenen op een situatie of op hoe je je voelt. Je hebt het gevoel dat je controle kan uitoefenen op een situatie, op een interactie, of op een innerlijke toestand. Dit noemt Julian Rotter ook wel een interne locus of control. Mensen hebben dit gevoel nodig om erop te kunnen vertrouwen dat zij zelf iets kunnen doen om hun situatie te verbeteren. Als je daar niet in gelooft, waar zou je dan motivatie vandaan moeten halen om goed voor jezelf te zorgen?


Volgens Luk Dewulf (auteur van “Ik kies voor mijn talent”) en anderen is er een verschil tussen beide begrippen.

·         Een competentie is een geheel van (meestal aangeleerde) kennis, vaardigheden en attitudes die mensen in een bepaalde context (vb. op hun werk, in hun vrijwilligerswerk,…) kunnen gebruiken. Competenties zijn vaak verbonden aan een bepaald beroep of een bepaalde functie op de werkvloer. Talenten zijn veel persoonlijker en kunnen ingezet worden in heel verschillende situaties.  

·         Een talent is iets waar je mee geboren wordt: het gaat om wat je goed kunt en wat je graag doet (competentie + interesse). Veel mensen weten niet goed wat hun talent is, omdat een talent bijna geen moeite vraagt, maar juist vanzelf gaat en je energie oplevert. Mensen die hun talent gebruiken voelen bevlogenheid: ze verliezen de tijd uit het oog, krijgen veel energie, voelen zich heel goed en genieten van wat ze aan het doen zijn. Juist omdat een activiteit waar je talent voor nodig hebt zo vanzelf gaat, vinden mensen het vreemd dat hun talent volgens anderen zo bijzonder is. Je vindt het zelf normaal.

Wanneer je niets doet met jouw talent zal het niet ontwikkeld worden. Iemand die vb. een muzikaal talent heeft en nooit muzieklessen neemt of nooit een muziekinstrument probeert te bespelen verwaarloost zijn talent en zal nooit een goede muzikant worden.

Het is dus zowel voor competenties als voor talenten nodig dat je ermee aan de slag gaat, dat je oefent en dat je er werk van maakt. Mensen worden best gemotiveerd om iets met hun talenten te doen, zodat ze er energie uit kunnen halen en weten hoe ze hun talenten kunnen inzetten in een bepaalde context.

Hoe weet je of iemand “talentrijk gedrag” vertoont? Volgens Sasika Tjepkema en Luc Verheijen kan je dit gedrag herkennen aan:

  • (werk)vreugde bij de activiteiten;
  • zelfvertrouwen;
  • boven het gemiddelde uitstijgen;
  • een korte leercyclus vertonen (= weinig tijd nodig hebben om iets te leren);
  • als je intensief bezig bent en vaak de tijd uit het oog verliest (bevlogenheid of flow);
  • inzetbaar zijn in verschillende functies (waar je hetzelfde talent kan gebruiken).
 
Denk eens aan activiteiten die je doet op je werk, op school of daarbuiten en ga op zoek naar rode (energievreters) en groene (energiegevers) momenten. In de groene momenten kan je herkennen wanneer jouw talenten aangesproken worden, in de rode momenten kan je herkennen wanneer jouw talenten juist helemaal niet worden aangesproken.
 
Groene momenten zijn momenten:
·         waarop je geniet van waar je mee bezig bent, voor je het weet is er een paar uur voorbij
·         waarop je de tijd vergeet
·         waarop je amper moet nadenken bij wat je doet
·         waar je naar uitkijkt
·         waarvan je zelf niet zo bijzonder vindt wat je laat zien, maar anderen wijzen je erop dat je het goed kan
·         die je ook kan onder stress, in moeilijke omstandigheden of als je moe bent
·         waarbij je na afloop misschien fysiek moe bent, maar mentaal heb je meer energie dan je vooraf had
 
Rode momenten zijn die momenten:
·         waarop de tijd niet vordert
·         waar je niet naar uitkijkt
·         waarop je jezelf heel erg moet concentreren om erbij te kunnen blijven of om een goed resultaat te kunnen neerzetten
·         waar je moe van wordt
·         die in je functioneringsgesprekken of evaluatiegesprekken steeds terugkeren, jaar na jaar en steeds benoemd worden als datgene waar je aan zou moeten werken; je weet het, je zegt dat je er aan gaat werken en tegelijkertijd komt er weinig of niets van
·         waarop je energie moet steken in wat je aan het doen bent; je ziet er tegenaan, je stelt het uit, de tijd kruipt vooruit en je bent je tijdens de activiteit voortdurend bewust van het feit dat het je veel energie kost
·         die vaak opduiken in je storende gedachten: datgene waar je in de auto naar huis zit op te tobben, waar je ’s avonds of in het weekend mee bezig bent, waar je ’s nachts van wakker ligt, waar je niet uitkomt, waar je voortdurend in je hoofd gesprekken of dialogen over aan het voeren bent of die je achtervolgen
 
Nog meer vragen naar competenties of talenten die je aan jezelf (of een ander) kan stellen:

Vragen naar competenties of talenten:
1.    Waar vergeet je de tijd bij?
2.    Welk ander beroep zou je een tijd willen uitvoeren?
3.    Waar ga jij van sprankelen?
4.    Waar ben je goed in?
5.    Waar voel je je als een vis in het water?
6.    Wat gaat voor jou “vanzelf” (en lijkt voor een ander bijzonder)?
7.    Wat geeft jou energie?
8.    Voor welk probleem ben jij de oplossing?
9.    Wat is het beste advies dat je ooit gekregen hebt (qua inzetten van je talent)?
10.  Wanneer ben jij succesvol?
 


 
 


maandag 4 februari 2013

Informatie over eetstoornissen voor ervaringsdeskundigen

 

Wie met eetstoornissen in aanraking is geweest treedt een bijzondere wereld binnen. Naast ellende, verdriet en domweg overleven zijn er ook bijzondere kwaliteiten die mensen met eetstoornissen ontwikkelen. Zoals het mysterieuze 'decodeergedrag', het vermogen anderen en situaties snel te kunnen 'lezen'. De soms hoge sociale intelligentie die tegelijk ontwikkelt met de neiging om je te veel door andere mensen te laten beïnvloeden.
Hoe kom je hier achter? Hoe ontrafel je ingewikkelde gebeurtenissen en soms moeilijk terughaalbare ervaringen het best? Ervaringsdeskundigheid lijkt hier een belangrijke kwaliteit. Zowel de ervaring als jezelf eetstoornissen hebt, alsook de ervaring als je intens omgaat met iemand die aan eetstoornissen lijdt.
Verschillende deuren vormen een ingang tot het ogenschijnlijk niet-inneembare fort 'eetstoornissen'. Spelen interne biologische processen een rol? Waarom ontwikkel je die merkwaardige gedragingen, juist op die tijdstippen? Wat leert de omgang met anderen je? Waar kan ik op bedacht zijn als ik toe ben aan een intieme relatie? En is een relatie eigenlijk wel voor me weggelegd?
Wil je meer zicht op al deze dingen en meer informatie hoe dit te doen? Misschien ook handvatten om anderen hierbij te helpen, zij het als ervaringsdeskundige, zij het als professioneel hulpverlener?
Dit boek kwam voort uit een wederzijds lange en nauwe samenwerking tussen Ixta Noa (voorheen ZieZo) en Frans Leenders, auteur van dit boek.
Colofon:
isbn: 9789088503368 · 2012, 1ste druk · paperback - 232p. · prijs: € 24.90
uitgeverij: SWP

 
Ouders als bondgenoot
Help je kind met een eetstoornis volgens de Maudsley-methode
Als je een opgroeiend kind hebt dat tekenen van een eetstoornis vertoont, hoop je misschien dat ze, door het juiste mengsel van liefde, aanmoediging en ouderlijk gezag, dit gedrag zal opgeven. Was het maar zo gemakkelijk. Je dochter beweert stellig dat het 'alleen maar een dieet' is dat ze volgt maar ze lijkt steeds meer op een geraamte. Je zoon doet zo veel aan fitness dat hij geen tijd heeft om te eten en voor andere dingen. Je bent vertwijfeld en weet niet meer wat je moet doen.
Wat het nog erger maakt is dat er bij sommige behandelingen van wordt uitgegaan, dat jij op de een of andere manier hebt bijgedragen aan het probleem. En deze hulpverleners willen niet dat jij als ouder meehelpt om het probleem op te lossen - het wordt je letterlijk verboden. 'Bemoei je er niet mee', waarschuwen ze. Maar als je moet toekijken hoe jou kind worstelt met een levensbedreigende ziekte, voel je toch diep in je hart dat je iets moet doen, dat je wilt bijdragen aan het herstel van de gezondheid van je kind!
Gelukkig staat de wetenschap tegenwoordig aan jou kant. Door de uitgangspunten van de gezinsgeoriënteerde aanpak van de schrijvers van dit boek toe te passen, kun je je dochter of zoon helpen in de strijd om gezond te blijven. Wetenschappelijk onderzoek in het beroemde Maudsley Hospitaal in Londen en de behandeling van tieners in de praktijk van deze beide artsen, maar ook in tal van centra voor eetstoornissen in Nederland en Vlaanderen, tonen aan dat ouders een belangrijke rol kunnen spelen. Als ouders op tijd ingrijpen, op de hoogte blijven van en deelnemen aan de behandeling, stijgt de kans dat hun kind de eetstoornis voorgoed overwint aanzienlijk.
Het overwinnen van een eetstoornis is niet eenvoudig; een volledige genezing zal veel tijd vragen en terugval komt veel voor. Maar of je kind nu al onder behandeling is, of dat je net begint te vermoeden dat je kind iets mankeert: doe er meteen iets aan. In dit boek lees je, wat je kunt doen.

Auteur:Dr. James Lock en Dr. Daniel Le Grange
Uitgeverij:Ekklesia - 2011
ISBN:9 789075 569551

zaterdag 2 februari 2013

Visietekst ervaringsdeskundigheid

Onlangs stelde het Overlegplatform Geestelijke Gezondheidszorg Provincie Antwerpen vzw (OGGPA) haar visietekst over "Ervaringsdeskundigheid" voor.
Hierin lees je meer over:
- wat het belang is van de hertselvisie
- wat het verschil is tussen een ervaringsdeskundige en het beroep van begeleider in de GGZ met ervaringsdeskundigheid (BGE) volgens dit overlegplatform. 


Je kan de visietekst hier lezen.


donderdag 31 januari 2013

Zelfzorg is geen alleen-zorg


'In staat zijn tot zelfzorg, is juist over het vermogen beschikken of de vaardigheden ontwikkeld hebben om, waar nodig, op het juiste moment en naar de juiste persoon appél te doen en voor zichzelf te laten zorgen.' (Chris Van de Veire)


Wie zorg verleent draagt best ook zorg voor zichzelf.
Als vrijwilliger ben je dan wel geen therapeut, maar toch draag je zo goed mogelijk en vanuit jouw eigen ervaringen en kundigheid zorg voor lotgenoten. Je ondersteunt hen en bent bij hen in vaak moeilijke omstandigheden, op momenten waarop lotgenoten met de handen in het haar zitten of vastgelopen lijken te zijn.
Dit kan erg zwaar zijn en tegelijk confronterend, want je hebt natuurlijk ook een eigen levensverhaal dat soms erg gelijkend kan zijn.
 
Hoe kan je dan zorg dragen voor jezelf?
  •  Spreek erover met jouw collega-vrijwilligers, of met de coördinator van de vrijwilligers vanuit de vereniging. Samen spreken in vertrouwen (op een discrete manier, met respect voor de vertrouwensrelatie) over wat je geraakt heeft en wat je hieruit kan leren voor de toekomst, kan deugd doen.
  • Leren uit situaties betekent: vanuit theorie leren kaderen, een situatie achteraf vanuit "helikopter-perspectief" bekijken, erkenning geven aan wat er gebeurd is en wat je gevoeld hebt en leren van elkaars ideeën en ervaringen.
  • Leer de gesprekken op te bergen of af te ronden, zodat je er niet "mee naar huis gaat".
  • Ga bewust op zoek naar activiteiten die je deugd doen, waar je van kan genieten.
  • ...

Wat doe jij om zorg te dragen voor jezelf? 

Lees hier meer:
 
 

zondag 27 januari 2013

Autonomie en waarden volgens deelnemers


1.       Zelfdeterminatietheorie
Volgens de zelfdeterminatietheorie is autonomie één van de drie psychologische basisbehoeften (naast verbondenheid en competentie).
Een voorbeeld van een situatie waarin iemands autonomie wordt ondermijnd is: een ouder die steeds zegt “ik zal het wel doen”. Daarnaast zie je ook een verband met de behoefte aan competentie: als iemand alles in jouw plaats doet, krijg je niet de kans om te ervaren of je competent bent. Hierdoor kan je het gevoel krijgen van “het niet goed te doen”, of zelfs het gevoel “ik ben nergens goed in”.

2.       Autonomie volgens de deelnemers

Autonomie heeft te maken met:
·         Vrijheid
·         Inspraak krijgen: in overleg wordt jouw mening gerespecteerd
·         Verantwoordelijkheid voor eigen keuzen
·         Beslissingsmogelijkheden hebben: zelf keuzes mogen maken
·         Gevoel van controle
·         Leven volgens eigen waarden: opkomen voor jezelf
·         Zelfwaardering (zelfvertrouwen en zelfzeker zijn)
·         Zelfstandigheid
·         Gelijkwaardigheid (wie autonoom is, voelt zich niet boven of onder een ander staan, maar op gelijke voet met zijn medemensen)

MAAR:  autonoom zijn wil niet zeggen dat je alles alleen moet doen, het betekent wel dat je dingen zélf doet en kan beslissen (= zelfbeschikkingsrecht). Autonomie is niet het “hoogste goed”, iets wat we absoluut moeten nastreven. Daarnaast is verbondenheid en dus interactie met en steun van anderen erg belangrijk.

Autonomie staat tegenover:
·         Afhankelijkheid
·         Passief ondergaan
·        Onderdanigheid
·         Dwang
·         Door anderen gecontroleerd worden
·         Geleefd worden (door anderen of door omstandigheden)

Wat is er nodig om autonomie te ontwikkelen?
·         Vertrouwen krijgen van de omgeving
·         Ruimte krijgen
·         Fouten mogen maken
·         Aanmoedigingen
·         Veiligheid bieden zodat vallen en opstaan mag en kan
·         Geestelijke groei (o.a. zelfbewustzijn)
·         Balans vinden in jezelf, maar ook tussen jezelf en de omgeving
·         Zelfvertrouwen
·         Veilige hechting in een stimulerende leefomgeving: biedt een ruimte waarin mensen mogen experimenteren en opgevangen worden

Hoe ontwikkelen mensen autonomie?
De mate waarin iemand autonoom is, verschilt van persoon tot persoon en ontwikkelt zich meer en meer doorheen de levensfasen. Er is wel een verschil op te merken tussen kinderen die zelfstandig alles zelf willen doen (typisch voor kleuters – en ouder) en het bewustzijn van de verantwoordelijkheden die bij autonomie horen (dit ontwikkelt zich eerder tijdens de puberteit). Mensen ontwikkelen dit bewustzijn doorheen hun levensloop.

Je wordt afhankelijk geboren, maar er is wel de capaciteit aanwezig om autonomie te verwerven doorheen je leven. Kinderen nemen het gedrag (en normen en waarden) over van anderen, zoals hun ouders en andere belangrijke opvoeders. Belangrijk is dat kinderen aangemoedigd en beveiligd worden door hun omgeving om dingen uit te proberen. Door zelf te doen leert men zichzelf beter kennen. Sommige mensen lopen vast in hun ontwikkeling naar autonomie (vb door een dominante ouder, door een te hechte band met een ouder, of juist door een gebrek aan binding,… Soms kan therapie nodig zijn om deze patronen te leren kennen en om zich hier verder in te ontwikkelen.

Typische levensfasen waarin je hier een “groeispurt” kan opmerken zijn: de “neen-fase” (peuterfase, waarin het zelfbewustzijn zich ontwikkelt) en de puberteit (waarin jongeren op zoek gaan naar eigen waarden en normen en een eigen identiteit: dit gebeurt in interactie met de omgeving, leren van voorbeelden of zich afzetten tegen). De puberteit is daarbij een gevoelige periode, waarin sommige jongeren kunnen vastlopen in het zoeken naar hun eigen weg (vb. door volledig samen te vallen met de ideologie van een groep (vb bendevorming) of door zich juist helemaal niet te binden met normen en waarden van een groep/samenleving (vb delinquente jongeren, die de band met de samenleving kwijt zijn, die letterlijk en figuurlijk “losgeslagen” ronddobberen)).

Baby’s zijn voornamelijk afhankelijk van hun opvoeders voor voeding, veiligheid en verzorging. (Toch hebben zij al reflexen die hen in staat stellen om hun opvoeders te laten weten dat ze iets nodig hebben.) Aan de andere kant van de levensloop kunnen we ons ook de vraag stellen in welke mate mensen nog autonoom kunnen zijn. Hier komt aan bod dat mensen die hulpbehoevend zijn wel degelijk nog autonoom kunnen zijn (vb door te kiezen hoeveel en welke hulp men wil en wat men nog zelf wil doen; autonomie wordt ook zoveel mogelijk aangemoedigd, door mensen de keuze te laten of ze vb een cola of iets anders willen drinken, of ze zelf hun haar willen kammen of het liever laten kammen,…). Anderzijds is er de moeilijkheid van mensen die leiden aan dementie. Sommige beslissingen kunnen zij zelf niet meer nemen, waardoor je als kind een omgekeerd ouderschap ervaart. Het is dan moeilijker om te zien wanneer je ouder nog autonoom kan zijn.

Welk beeld past bij autonomie?
·         Een kat
·         Een boom, die stevig in de grond geworteld is (zelfzekerheid en zelfkennis als bron voor autonomie)
·         Vrijheid, krachtig/sterk, zelfzekere persoon, standvastig, zelfstandig
·         Iemand die al standvastigheid in het leven heeft bereik (vb. een zinvolle job, een goede relatie, een dak boven het hoofd, geen financiële problemen) =>veranderingen in deze omstandigheden kunnen dit gevoel van autonomie wel ondermijnen

3.       Moetivatie of motivatie?

Wanneer we elkaar proberen te motiveren om een bepaald gedrag te veranderen, dan helpt het ons niet als een ander zegt wat we “moeten” doen. Dat roept spanning en zelfs een gevoel van opstandigheid op. Wat wel helpt is wanneer iemand zich probeert in te leven in de situatie, dat hij meezoekt naar de redenen waarom je zou willen/kunnen veranderen en ook wanneer we zelf de kans krijgen om gepaste voorstellen te doen. Bevestiging krijgen dat je op bepaalde momenten of in bepaalde situaties al goed bezig bent (= positieve feedback) is ook motiverend.

4.       Leven volgens je waarden

Wie autonoom in het leven staat wordt aangestuurd door zijn belangrijke waarden. Deze waarden geven richting aan je leven. Ze laten ons weten waar we voor willen opkomen en waar we onze energie in willen steken.

Na het waardenspel merkt een deelnemer op: “Het is echt opvallend dat iedereen toch een uniek profiel aan waarden bij elkaar krijgt. Iemand die op carrière gericht is zal heel andere waarden kiezen dan iemand die zich vooral wil inzetten voor anderen.”

Je kan deze opdracht ook inzetten om mensen te helpen om keuzes te maken in hun leven, of wanneer ze niet (meer) weten wie ze zijn (vb. wie ben ik zonder mijn eetstoornis?). Met het waardenspel kan mensen weer laten voelen wat voor hen belangrijk is in het leven. Op basis van deze waarden kunnen mensen op zoek gaan naar activiteiten (vb. werk, vrijwilligerswerk, hobby,…) waarmee ze dichter bij hun eigen waarden kunnen blijven. Dit helpt vb. ook om zich niet langer te laten leiden door de verwachtingen van de omgeving en meer te leven volgens de eigen waarden. Of met andere woorden: het kan je gevoel van autonomie bevorderen als je meer leeft volgens jouw eigen waarden dan volgens de waarden van anderen (of de verwachtingen die jij denkt dat anderen hebben).

zaterdag 26 januari 2013

Autonomie - leven volgens je waarden

Mensen die hun leven richten op de waarden die zij belangrijk vinden scoren doorgaans hoger op “welbevinden” (geluk, zich goed voelen in z’n vel). Dit heeft er o.a. mee te maken dat zij hun leven als zinvol en verrijkend ervaren. We gaan nu op zoek naar de waarden die jij belangrijk vindt. We kunnen daarbij ontdekken of jouw waarden veel ruimte krijgen, of dat ze misschien wat ondergesneeuwd geraakt zijn. Daarnaast kan je op zoek gaan naar mogelijkheden om jouw waarden op nieuwe manieren in te zetten. Als je meer autonoom in het leven wil staan, kunnen waarden een richtingaanwijzer zijn (welke weg wil je opgaan, wat is belangrijk om energie in te steken en waar wil je je liever niet mee bezig houden).

Hulpmiddelen om jouw waarden te ontdekken zijn:
- iets wat je thuis gratis kan doen: waardenlijst opmaken
- het waarden- en normenspel (Peter Gerrickens, Marijke Verstege en Zjev van Dun)
- het waardenspel (Hein Siebers)
- een waarden-roos waarmee je kan uitzoeken in hoeverre de waarden die jij belangrijk krijgt voldoende ruimte krijgen (Universiteit Twente)